E-mail

BuiltWithNOF
Agadir Story

Smaldeel 1 - Agadir 1960 a/b Hr.Ms.Drenthe

Drie maart 1960.
Hr.Ms.jager Drenthe spoedt zich, na afloop van de vlootoefeningen in het Middellandsezeegebied terug naar de rots van Gibraltar. Juist op het moment dat de jager de baai wil indraai- en komt er een bericht van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten: "Spoedig hulp verlenen aan het getroffen Agadir ."

Commandant en opvarenden wisten niets van enige ramp. Wel hadden zij de mooigelegen badplaats eerder vanuit zee gezien. De mooiste van de badplaatsen aan de Afrikaanse kust, mooier dan Fedala en mooier dan Saleh.

In gesloten verband keert het Nederlandse smaldeel terug en op vier maart, even voor het middaguur komt de getroffen badplaats in zicht. Koortsachtig beginnen de bemanningen zich op te maken voor de reddingsactie en diezelfde dag, even voor vier uur steekt de eerste reddingsploeg van de Drenthe af in zee. Op weg naar de kust. Op weg naar de plaats van de ramp.

In het hoofdkwartier heerste grote drukte. Fransen reden aan en af. Marokkaanse militairen werden in steeds sterkere stroom aangevoerd. Daartussen voegden de Hollanders zich met de hun eigen handigheid. In principe hadden zij de Fouuti, de nieuwe Kashba toegewezen gekregen.

Daar, in die puinhopen die wij van het schip hadden verkend, daar was Pompe´. Drie plateau's in elkaar gezakt.

De Jannen waren op hun best.
Sommigen zo jong in deze absolute grijsheid. Even waren ook zij stil als een vader zijn terug- gevonden kind herkende. Dan weer pakten zij aan waar andere wanhopige familieleden hen wezen. Zwoegend met hun sterke zeemanshanden tegen een element dat het hunne niet was, dat soms zwaar was en sneed.

 

In drommen
Een zware wolk daalde van de bergen naar beneden. Als de kap van een ter dood veroordeelde. Ik moest terug naar het schip voor de commandantsbespreking. Op de steiger wachtte ik zo lang mogelijk. Om zeven uur was het algemene einde van de werkzaamheden. De kap hing nu laag over de stad als een lijkdeken. "Zou het iets met het gebeuren te maken hebben?" vroeg de dominee.

De Fransen kwamen in drommen terug. Met hun Franse slag, maar bijzonder snel werden ze in de ononderbroken rij van grote en kleine boten verwerkt. Een enkele had de ellende met een extra rantsoen wijn overgoten.
Tegen tienen pas kwamen de Hollanders terug. Stil, sommigen bleek. Handen en helmen in de lysol, schoeisel en overkleding ter plaatse uit. In de was. Zelf onder de douche.
Vrij van wacht om de volgende ochtend vroeg het werk te kunnen hervatten.

Tweede dag
Die tweede dag liep alles alsof we al dagen bezig waren. De bespreking had wat organisato- rische puntjes op de i gezet, het aantal ploegen was verdubbeld, midden op de dag werd afgelost, het tenue was beter aangepast, het materiaal beter afgestemd op de taak.
Een grote patrouilleboot zorgde voor halen en brengen ineens, de walstaf was uitgebreid met het oog op indeling, coordinatie en communicatie. De mensen zelf werkten met meer vakmanschap. Steeds scherper werden de medici.
Doch ook groeide de wanhoop. De bovenste lagen waren nu afgezocht.
Hoe dieper men kwam, hoe verraderlijker het puin werd. Meer lijken bleven op de hoeken van de straten liggen. De stank was nu vrijwelondraaglijk. Steeds groter werden de vliegenzwermen.

Wat het meest merkwaardige was, was dat de zon maar niet ophield dit alles met het meest stralende weer van de wereld te overgieten. Was het ook zo bij Pompe´, bij Messina, bij Lissabon geweest?

Des avonds was er een zonsondergang zoals zelfs een zeeman er zelden een ziet. Alle kleuren van de wereld glansden in volle pracht aan de westelijke hemelboog.
In dezelfde richting waren de krachten van de onderwereld losgebroken. Op de schrikkeldag van het jaar 1960. Tien over half twaalf. Daarop waren de klokjes stil bijven staan. Stil ook de harten van duizenden mensen. 3000-6000-10000?
De enkelingen die niet thuis waren geweest wisten precies waar de anderen lagen. De normale rustplaats was de laatste geworden.

 

Geen werk
Koning Mohammed Ven de prins regent vechten bekwaam terug. Dag en nacht stijgen en dalen de Amerikanen zonder ophouden op beide vliegvelden. De vloot op de rede is indrukwekkend. Maar de vliegen en de ratten zijn sterker. Met het uur stijgt het besmettingsgevaar.

"Agadir zal weer verrijzen," zweert koning Mohammed. En in de verte rommelt het in de zee.
Op de derde dag is er geen werk meer voor onze ploegen. Groot materieel is aangereden. Experts zijn aanwezig. Het gehele Marokkaanse leger schijnt op te rukken.
Dynamiet of brand? Ongebluste kalk? Een stoffig echtpaar wordt . opgegraven. Bij uitzondering levend.
Hij, de Mohammedaan, zichtbaar gelukkig als hij haar naast zich weet. Steeds weer zoeken zijn handen de hare. Haar ogen lichten onbeschrijfelijk. !

De Hollandse schepen kunnen niets anders meer doen dan afgeven wat zij aan mondvoorraad over hebben. Even kijkt de secretaris zoals het een goede secretaris betaamt - alsof het uit zijn eigen zak moet. Dan leidt hij zelf vaardig de laatste boordevol geladen sloep naar plaats en bestemming.
Duizenden goudgelegrapefruits komen terug. Roerend !geschenk namens de koning.
Uit het oord des doods, zoete zon voor de zeeman.

Vissen
Om vijf uur vertrekt de Gelderland naar Casablanca om olie teladen en om overtocht te bieden aan alsnog 150 man veiligheidstroepen. Het laatste wat wij kunnen doen.
Onze Jannen vissen.
De Eerste officier is boos dat ze daarmee het dek bevuilen. Ik heb mij gebaad en doe om de een of andere reden een strikdasje om. Terwijl ik het knoop kijk ik naar de ingelijste psalm
"Wie zal peilen Zijn genade. Wie Zijn ontferming."

Naschrift
Er was een dubbele hevige bons in het schip. Krabbend anker? Aandrijving? Als een kogel schoot ik met strikdasje en al naar de brug door een veld van bleke gezichten. Officier van de wacht. De arme stond al peiIlingen te nemen. Alles zag er even vredig uit, als altijd op dit plekje. Verschrikkelijke gedachte. De ketels, de diesel. Ontploffing in de machinekamer. Ogenblikkelijk de chef bij me. Die was al op zijn ronde. Zo, dat was het dus. Een aardschok door het water. Op alle dertig schepen beginnen de signaallichten plotseling te knipperen. Ik kan mijn lachen niet houden. In dertig verschillende gewaden zijn dertig commandanten dertig kajuiten uitgestormd. In vijf verschillende talen is de officier van de wacht verwenst. Honderden harten hebben angstig gewacht op het rapport uit de machinekamer . En dat alles omdat onze moeder aarde nog heel even sidderde.
Dat was haar afscheidsgroet voor de Koninklijke marine uit Agadir .

Tot zover het artikel van de commandant van de Drenthe. Schaafsma zelf schrijft:
Aan boord geplaatst van Hr.Ms. Drenthe, D 816, onder commando van Kltz J. van Dapperen.
Ik ben als lid van de EHBO-ploeg van Hr .Ms. Drenthe twee dagen aan de wal tewerkgesteld in de Kashba en heel eventjes in de Europese wijk van Agadir. Wij hebben aldaar zorg gedragen voor de eerste opvang van gewonden en hebben hun wonden verbonden. Wij zijn getuige geweest van veel leed en hebben de enorme verwoesting van de stad gezien.
Ook de onbeschrijflijke lijkenstank is mij tot op heden bijgebleven. Door het ontbreken van goed gereedschap en machines hebben wij met blote handen in het puin gegraven op zoek naar overlevenden die er niet waren.

Het aantal slachtoffers van die ramp werd geschat op :c.a. 25.000 doden. Deze doden werden door ons, jonge kerels van 18, 19 en 20 jaar van het Nederlandse smaldeel, in grote zandkiepauto's gegooid waarna ze buiten te stad in massagraven werden begraven.
Ik kan u verzekeren dat al die indrukken welke wij toen te verwerken kregen, een heel diepe 'prent' hebben achtergelaten. Zozeer zelfs dat ik er nu, na al die jaren nog aan denk. En als wij 's avonds weer aan boord klommen, dan vroeg niemand naar onze ervaringen. Je praatte er zelf ook niet over.
'Niet zeuren, doorgaan.'

Als bijlage een artikel dat werd geschreven door de toenmalige commandant, overste J. van Dapperen. Misschien kun u 'ons' verhaal vertellen, om al die naamloze en vergeten hulpverleners van het eerste uur van Smaldeel 1 te danken voor hun inzet.
Toen werd er door de autoriteiten in Holland geen aandacht aan besteed maar ik verzeker u dat velen van ons daar schade hebben opgelopen van hetgeen zij daar op zeer jonge leeftijd hebben gezien.

R. Schaafsma

 

Geplaatst aan boord van Hr .Ms. De Ruyter in de jaren 1958-1960.

Op terugweg naar Nederland vanuit de Middellandse zee met smaldeel1, werden wij naar Agadir gedirigeerd in verband met de aardbeving die net had plaats gevonden. Enige tijd
later gingen wij voor anker in de baai en met onze sloepen werd de verbinding met de wal ingezet.
Bijna iedereen werd ingezet voor hulpdiensten, maar niemand wist wat er komen zou. Ikzelf (als Kpl. Gsknst} werd ingedeeld bij de staf voor chauffeur op een vrachtwagen die ter plaatse gevorderd werd.

Zoals u al vermeldt, speelden er vreselijke dingen af die voor vele jonge matrozen in opleiding een zeerbijzondere ervaring was. Ikzelf moet met de staf steeds op stap en reden dan langs 10.000 lijken die over een afstand van 4 km naast elkaar waren gelegd. Onze luchtwegen werden bedekt met gaasjes, gedept in Dethol etc.

De Amerikanen werden ook ingeschakeld en men nam de leiding over en waar het materiaal vandaan kwam, alles was er, schoppen, pikhouwelen, buldozers etc.
Onze opdracht was om te proberen overlevenden op te sporen en onder het puin weg te halen.
Na enkele dagen werd het ondraaglijk voor iedereen. Men was bang voor ziektes etc. Om zeven uur 's avonds was iedereen terug aan boord. Alle groepen waren net ontsmet en gingen juist eten toen er nog een lichte aardbeving plaatsvond met daarbij een zeebeving onder het schip waarbij de grond tientallen meters naar boven kwam.

Ik hoorde 'ankerrol' op post en wij vertrokken direct, richting Nederland. Alle medische mid- delen waren op. De Amerikanen losten het direct op en gooiden de volgende dag ongebluste kalk over heel Agadir en omstreken. Daar waren wij nog niet geweest omdat de wegen waren gebroken en vele diepe gaten waren ontstaan.
Ik meen dat later de Commandant een medaille heeft gekregen voor het schip (zeker ben ik hier niet van - het kan ook een dankbetuiging zijn geweest).
Ik vind het een goede zet van de AVOM om dit naar voren te brengen en misschien, na 38 jaar, toch nog een eerbetuiging voor iedereen te bewerkstelligen.
Het liefst zie ik het vanuit de Marokkaanse hoek komen. (Dan is de klus geklaard.)
M.C. Sporken

 

De oud-marineman of -vrouw heeft de ganse aardkloot bevaren en weet dus waar Agadir ligt. Mag verondersteld worden. 's Kijken wat de Nieuwe WinkIer Prins, uitgave 1979 erover zegt:
, Agadir , havenstad en badplaats in Zuid-Marokko aan de Atlantische Oceaan, 110.000 inwonders. Visverwerkende en conservenindustrie. De stad werd in 1960 bijna geheel verwoest door twee aardbevingen. ( ca. 12.000 doden)'

Marinebronnen (uit een schrijven van matroos1 Joop Romkema, in die stand toen aan boord van Hr .Ms. Gelderland) spreken over 14.000 doden op de eerste dag alleen al.
Het aantal van 12.000 doden -de officiŰle melding in WinkIer Prins- tegenover 14.000 doden op de eerste dag reeds van sobat Romkema spreekt elkaar bij eerste afweging tegen. "Maar," stelt Joop Romkema, "vergeet het achterland niet en de gevolgen vooral daar van de tweede beving."

Op 29 februari 1960 lag smaldeel 1 bestaande uit de kruiser Hr.Ms. De Ruyter met smaldeel-commandant, Commandeur Ferwerda, de jagers Gelderland, Drenthe en Limburg, Hr .Ms. de Bitter en de 0-boot Zwaardvisch bij Gibraltar. Men was op oefening.
De Marokkaanse stad Agadir werd op die datum getroffen door een aardbeving met de kracht van 5.9 op de schaal van Richter.

Daarna nog door een tweede beving.
Direct werd gepraaid dat schepen van genoemd smaldeel ter assistentie van een internationale hulpactie naar Agadir zouden worden gezonden. Hr .Ms. Zwaardvisch bleef te Gibraltar. Personeel van deze KM-schepen werd als hulpverleners en puinruimers ingezet.

Gerard Neervoort, toen als kajoe 1 aan boord van Hr .Ms. De Bitter herinnert zich dat zijn schip wat later arriveerde en dat had -nu weer volgens Romkema- te maken met de volle kracht waarmee de andere Nederlandse oorlogsbodems naar Agadir op stoomden. Zo'n volle kracht kon door 'de Bitter' niet worden behapt.
"Men lag op ree," vertellen beide oud-marinemensen en Gerard zegt zich nog goed te herinneren dat hij en de maten met de sloep aan wal werden gebracht en terecht kwamen -met maskers voor- in een geweldige puinhoop waar het stonk en waar mensen jammerden, huilden en gilden. In de zinderende hitte van de woestijn.

"Terug aan boord," vertelt hij, "werden we ontsmet. Straal desinfecterend water op je naakte body, rampkleding uit en schone aan."
Met de instelling je volgende beurt weer paraat te zijn.
Heeft marinepersoneel, dat daadwerkelijk aan deze Agadir-actie deelnam behoefte aan nazorg? Misschien aan een vorm van eerbetoon?
Wordt hierbij gedacht aan een herinneringskruis van Nederlandse origine of iets dergelijks van de zijde van het Marokaans Koninkrijk? Of wellicht beide?

Coen Deering, redactie VW

 

Voor belangstellenden is er een boek verschenen:
De titel: "Breukvlak tussen woestijn en water"
De inzet van smaldeel 1 van de Koninklijke marine te Agadir, 1960
Auteurs: Coen Deering, Henry Lansink en Joop Romkema
Een uitgaven van: Algemene Vereniging van Oud-personeel van de Koninklijke Marine - AVOM. Bestelnr. ISBN 90.6289.580.8

[Home] [29 februari 1960] [Agadir Story] [10 jaar later 2000] [Oprichtin Reunie] [Stichting Agadir] [Bronbeek 2009] [Naar Agadir] [Reunie-2010] [Bronbeek 2010] [Reisverslag] [Berichten Reunie] [Marine Website]