eXTReMe Tracker
Korea

Hr .Ms. Dubois.

Hr.Ms. Dubois was één van de zes Amerikaanse fregatten die in 1950-51 door de Koninklijke marine van de Amerikanen in bruikleen werden gekregen. Onder Amerikaanse vlag was haar naam USS O Neill (DE 188), een Destroyer Escort uit de Cannon-class.
Het schip had, nadat het op 23 oktober 1950 in dienst was gesteld, op waardige wijze haar partijtje in smaldeel 5 meegeblazen. Thans was het bij de Rijkswerf oorlogsgereed gemaakt om de reis naar Korea te ondernemen. Het commando berustte bij de Ltz.1 Jellema, die tijdens de term op 5 juli 1954 werd bevorderd tot overste.

Onder redelijk gunstige weersomstandigheden en zeer grote belangstelling, vertrok de Dubois op 15 september 1953 om precies 11.00uur uit Den Helder. Al vroeg werd het reisschema in de war gestuurd, om meer tijd beschikbaar te krijgen voor de taakovername van de Maurits in Japan. Derhalve werd de Israelische havenstad Haifa uit het vaarprogramma geschrapt. In de volgende havens kon aldus aankomst en vertrek met twee dagen worden vervroegd.

De weergoden waren het schip gunstig gezind, zodat reeds op de eerste wacht van zaterdag 19 september Gibraltar kon worden gepasseerd. Eenmaal in de Middellandse Zee bleek de temperatuur flink te stijgen tot zomerse waarden. Zelfs de nacht bracht geen verkoeling; het was nog 25 graden. Zodoende werd snel het blauwe voor het tropentenue verwisseld.

 

Op 21 september arriveerde het schip in Palma de Majorca en in een splinternieuw hagelwit(?) uniform gingen de maten de wal op om te passagieren. Op de terugtocht naar het eigen schip ontdekten enkele stokers dat er in de haven nog een oud Spaans oorlogsschip lag dat met kolen werd gestookt. Blijkbaar hadden de Hollandse maten nog voldoende collegialiteit over ten aanzien van de Spaanse sailors, die druk bezig waren zakjes kolen aan boord te brengen. Prompt staken zij dan ook de helpende hand toe om het werk te verlichten. Dat hierbij het "lang-wit" na gedanen arbeid er iets anders uitzag dan voorheen, spreekt voor zich! Geen nood echter, want bij deze temperatuur hielp een duik in
de plomp bij de "Voorwas". Tijdens deze zwempartij moest er nodig eentje z'n schoen verliezen; hij heeft het de verdere reis met twee verschillende schoenen moeten doen!

Op 24 september werd uit Palma vertrokken en koers gezet in de richting van het Suez-kanaal. Tijdens dit gedeelte kwam op 28 september een matroos een beetje ongelukkig ten val, waarbij een aan de elleboog opgelopen snijwond moest worden gehecht. Het genezingsproces verliep echter niet naar wens en het slachtoffer had veel pijn; bovendien vertoonde de arm verlammingsverschijnselen. Zelfs ná het consult bij een chirurg in Aden ging het nog altijd niet goed. Later bleek in het US Naval Hospital te Yokosuka een operatie noodzakelijk in verband met een gekwetste zenuwen omdat de arm nog geruime tijd in het gips moest blijven, werd besloten de patiënt terug te zenden naar Nederland.

Intussen voer het schip op woensdag 30 september om 11.00uur de haven van Port Said binnen en drie kwartier later was men in het Suez-kanaal. De kanaalloods was een Fransman die zeer moeilijk Engels sprak, waardoor de conversatie op de brug bepaald niet vlot verliep. Telegrafisch was toestemming verleend om in het kanaal een konvooi van zeven schepen te passeren dat de Dubois tegemoed kwam. Het laatste schip hiervan was een tanker van 20.000 ton, geladen met benzine. Vlak bij Lake Timsah zou de passage moeten plaats vinden, maar toen de bocht werd ingestuurd om
de bewuste tanker te passeren, stuurde de loods de Dubois plotseling naar de andere wal, waarop gelukkig de tanker hetzelfde deed en beide schepen elkaar op acht meter afstand via de verkeerde zijde rakelings passeerden. Hierbij werd het schip nog gehinderd door een aantal zeilprauwen die bijna het onderspit moesten delven. Het waren enkele spannende en griezelige momenten.
Maar natuurlijk werd er ook hartelijk gelachen, want nadat in Lake Timsah 's avonds het anker weer binnenboord was gehaald om de rest van het kanaal te nemen, werd bekend gemaakt "dat voor een beperkt aantal opvarenden een tocht per kameel langs het kanaal was georganiseerd". Aangeraden werd in blauw tenue met jekker aan te treden, om de kou van de woestijnnacht te trotseren.

Zo stonden de liefhebbers met rode koppen van het zweten op het bepaalde tijdstip bij de valreep aangetreden, terwijl de Dubois rustig het kanaal instoomde. Een poosje later kwam via de scheepsomroep de ontknoping dat "de tocht was afgelast, omdat de kamelen in staking waren gegaan". Dat er toen enige krachttermen in de richting van de O.S.&.0.-officier werden geslingerd, valt te begrijpen.
Na 16 uur voelde men zich bevrijd uit de nauwe engte van het kanaal en vol goede moed werd de ruimte van de Rode Zee benut op weg naar Aden. En zie, daar doemde in de verte ter hoogte van Jubal het silhouet op van Hr.Ms. Willem van der Zaan die op weg was naar haar thuishaven. Omdat er wat tijd over was werd bijgedraaid en op korte afstand van elkaar gestopt, waarbij de collega's werdenverrast met post en een verse voorraad bier uit de scheepstoko. Tevens werden met elkaar enige ervaringen uitgewisseld. 's Avonds tijdens de eerste wacht nam men hartelijk afscheid en vervolgde ieder zijn eigen koers.

Dinsdag 6 oktober werd in de morgenuren in Aden afgemeerd om de voorraden weer op peil te brengen. De bedoeling was om vóór het donker worden weer te vertrekken, maar omdat de snelheid vanhet olieladen op een laag pitje stond en dit pas na het vallen van de avond gereed was, moest tot de volgende morgen worden gewacht alvorens de lange deining van de Indische Oceaan kon worden opgezocht.

Op 12 oktober ontmoette men het m.s. Karimata uit Amsterdam, dat onmanoevreerbaar rond dreef, maar bij navraag geen assistentie behoefde te hebben. Later werd het schip alsnog met ernstige machineschade door de sleepboot Oostzee in Colombo binnengebracht. Het Nederlandse fregat kwam hier op 14 oktober aan en eindelijk kon men weer eens lekker de benen gaan strekken.

De volgende dag kwam er nog meer marinebezoek in de haven, waaronder de USS Greenwich Bay, met aan boord de Commander D.S. Bill. Pas op de morgen van het vertrek gelukte het hem de valreep te betreden. Hij groette de vlag, de valreepsgasten en commandant, waarna hij zei:
"Captain, this ship looks exactly like the destroyer escort I commanded during the last phase of the war in the Pacific, USS O Niel!".
Waarop de commandant antwoordde: "Commander, welcome on board of your former command, our HNMS Dubois, wich ship, among others, was transferred to the Netherlands Navy under the Mutual Defence Assistance Programm".

Commander Bil! was helemaal verbluft en vroeg onder meer of de schade op het voorschip die was veroorzaakt door een kamikaze-aanval tijdens zijn commando, na de uitdienststelling volledig was hersteld. Daarna maakte hij in het gastenboek vervolgens de aantekening:
"From the fomler captain of USS O Niell tot HNMS Dubois, a salute for a good ship in good hands".
Commandner D.S. Bil! was vanaf de indienststel!ing op 6 december 1943 tot 16 juni 1945 commandant van het schip geweest.

Omdat er nog iets aan de motoren haperde, vertrok men een dag later dan was gepland, namelijk op vrijdag 16 oktober. Via de Straat van Malakka stoomde het schip op naar Singapore. Evenals bij de voorgangers kwam ook hier Zijne Majesteit Neptunus met gevolg aan boord voor een groots waterballet met bijbehorende rituelen. Met een klappie erbij werd op 3 diesels (15 mijl) getracht iets van de verloren tijd in te halen om tijdig in Singapore aan te komen. Onderweg passeerde men het m.s. Oranje, hetgeen begrijpelijkerwijs gepaard ging met gewuif, gejoel en sirenegeloei.

Op 23 oktober was de Dubois weer in zee om noordelijker te koersen richting Hong Kong. Nauwlettend werd op dit traject de barometer in het oog gehouden, omdat tyfoon Betty op komst was, maar de angst bleek ongegrond. Op 28 oktober, één dag eerder dan geraamd, meerde het schip om half negen op de boei af en kon men van twee dagen passagieren in Hong Kong genieten.

Het bekende spreekwoord "De laatste loodjes wegen het zwaarst" kreeg op het resterende gedeelte van de reis weer zijn volle betekenis. Reeds op de eerste de beste hondewacht moest het aantal omwentelingen worden gereduceerd tot 330. Dit in verband met het zware stampen van het schip en de hoog overkomende zeeën. Het leek wel alsof Betty alsnog op bezoek wilde komen. De hoge zee stond vrijwel recht op de kop van het schip en de windkracht liep op tot kracht 9. Maar nadat Formosa was gepasseerd werd het iets rustiger en liepen de omwentelingen geleidelijk aan weer op tot 490, zodat 17 mijl werd gelopen om de verloren tijd in te halen.

Eindelijk kon op 5 november de nauwe ingang van de haven van Yokosuka worden binnengevaren, zodat om 1 0.15uur naast Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau werd afgemeerd. De ontvangst was hartverwarmend en in minder dan geen tijd ontmoette iedereen iedereen. Helaas was hiervoor niet veel tijd beschikbaar omdat alle bescheiden en detailgoederen van de Maurits naar de Dubois moesten.
Wat ook werd overgebriefd was de tip (of waarschuwing) van het hoofd-machinekamer van de Maurits aan zijn collega van de Dubois omtrent de Japanners; zij hadden zich ontpopt als ware imitators. De Maurits had namelijk eens een krom geslagen pompstang aan een Japanse werf gegeven. Deze was bedoeld als model om een nieuwe (rechte) te maken. Die jongens leverden toen inderdaad een glanzende nieuwe pompstang af van de juiste afmetingen en. ..precies even krom als de originele!

De volgende morgen gingen de trossen los; de Maurits naar huis en de Dubois naar Yokohama. Dat is maar een klein stukje varen en na twee uur en een kwartier lag het schip in deze haven afgemeerd voor een officieel bezoek. Hierbij behoorden natuurlijk de excursies, bustochten en (weer) voetballen, waarna het schip werd opengesteld voor het publiek. De dagen vlogen voorbij; op de 1Oe november kon de valreep weer worden verwijderd en keerde het schip terug naar Yokosuka. Omdat de toegang tot de haven op dat moment versperd was door het uitvarende vliegkampschip USS Wasp met haar escorte, moest geruime tijd buitengaats worden gewacht, alvorens in de haven kon worden afgemeerd.

Korea-oorlog

Duur: 16 juli 1950 - 24 januari 1955

Aantal militairen: 4.748

Onderscheidingen: Distinguished Unit Citation 2, Presidential Unit Citation 2,

Silver Star 14, Bronze Star 102, Militaire Willems-Orde 3, Bronzen Leeuw 5,

Bronzen Kruis 19 en Kruis van Verdienste 4

Dodelijke slachtoffers: 121 + 4 vermisten

Achtergronden

Nadat Japan zich in augustus 1945 gewonnen had gegeven, ontstond van India tot Ko-rea een politiek vacuüm. In de meeste gevallen vulden de terugkerende westerse kolo-niale mogendheden of nationale bevrijdingsbewegingen dit vacuüm. In Korea schortte het aan beide. De Japanners hadden Korea in 1910 ingelijfd en elk verzet sindsdien krachtig onderdrukt. Het waren de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten (VS) die hier het naoorlogse machtsvacuüm vulden. Daarmee bepaalden zij de verdeelde toekomst van het Koreaanse schiereiland.

De Sovjet-Unie bezette het noordelijke deel van Korea, de VS het zuidelijke. De als tijdelijk beoogde scheidslijn tussen de beide bezettingszones groeide al snel uit tot een de facto grens en tot een confrontatielijn. Ook Korea werd een strijdtoneel in de mon-diale Koude Oorlog. Noord-Korea ontwikkelde zich tot een orthodox-communistische dictatuur, terwijl in Zuid-Korea de conservatieve elite een staatsbestel opbouwde dat slechts in naam ‘democratisch’ mocht heten.

Al in 1948 was duidelijk dat de oplopende spanning tussen Noord- en Zuid-Korea op een burgeroorlog kon uitdraaien. Die spanning kreeg een militaire dimensie toen Noord-Koreaanse grenstroepen vanaf mei 1949 de confrontatie zochten met legereen-heden in het zuiden. De Noord-Koreaanse leider Kim Il-Sung overtuigde zowel Stalin als Mao Zedong – die in september 1949 de nieuwe Volksrepubliek China had uitge-roepen – dat de verovering van Zuid-Korea hoogstens een paar weken zou kosten. De Noord-Koreaanse verrassingsaanval begon op 25 juni 1950. In zes weken tijd slaag-den de Noord-Koreanen erin het slecht uitgeruste Zuid-Koreaanse leger en de in aller-ijl toegesnelde Amerikaanse eenheden terug te dringen tot de zuidoostelijke punt van het schiereiland. Grote uitputtingsslagen haalden echter de snelheid uit de vijandelijke opmars en brachten haar begin september tot stilstand. Medio september sloeg de Amerikaanse bevelhebber generaal MacArthur terug met een landing bij Inchon. Hij slaagde erin de Noord-Koreanen terug te dringen tot aan de Yalu. De massale inzet van Chinese ‘vrijwilligers’ stopte de oprukkende geallieerden en drong hen terug tot de 38e breedtegraad.

Het VN-mandaat

De Veiligheidsraad van de VN riep op de eerste dag van de Noord-Koreaanse aanval in een resolutie op tot een staakt-het-vuren en terugtrekking van de Noord-Koreaanse troepen tot de 38e breedtegraad. Twee dagen later mandateerde de raad, bij ontstente-nis van de Sovjet-Unie, de internationale gemeenschap de Noord-Koreaanse troepen met geweld terug te dringen en de internationale vrede en veiligheid te herstellen. De Veiligheidsraad plaatste op 7 juli alle inmiddels aan de VN aangeboden troepen onder Unified Command van de VS.

De Algemene Vergadering bepaalde op 7 oktober in een resolutie dat het politieke doel van de VN-operatie in Korea het tot stand brengen van een onafhankelijke, soe-vereine eenheidsstaat onder een democratisch bewind was. De Algemene Vergadering achtte de aanwezigheid van VN-troepen gewenst zolang dit doel niet was bereikt.

De Koninklijke Marine in Koreaanse wateren

De Nederlandse regering bood op 3 juli 1950 de in Indonesië gestationeerde torpedo-bootjager Hr.Ms. Evertsen aan voor de VN-operatie in Korea, die dertien dagen later in het operatiegebied arriveerde. De maritieme strijdkrachten van de VN stonden on-der het bevel van de commandant van de Amerikaanse zeestrijdkrachten in het Verre Oosten. De Evertsen maakte tot 12 september 1950 deel uit van Task Group 96.5: Ko-rea-Japan Support Group van Task Force 96. Na die datum ging Task Group 96.5 als de zelfstandige Task Force 95: United Nations Blockade and Escort Force door het leven.

De opeenvolgende Nederlandse schepen kregen een grote diversiteit aan taken toebe-deeld. Task Force 95 voerde patrouilles uit langs de gehele Koreaanse kust, op zoek naar mijnen en illegale scheepsbewegingen. Gemiddeld voerde elk Nederlands schip een tiental patrouilles uit, merendeels langs de westkust van Korea. Regelmatig kre-gen de schepen ook tot taak een Amerikaans of Brits vliegdekschip te escorteren. Speciale deeltaken waren in dit kader Bird Dog en Plane Guard Station. Bij Bird Dog nam het schip een positie in tussen het vliegdekschip en de kust om neergestorte vlie-gers zo snel mogelijk uit het water te halen. Daarnaast namen de escorterende jagers om beurten Plane Guard Station achter een vliegdekschip in, om piloten die bij start of landing in zee crashten te kunnen helpen. Binnen enkele minuten moest een derge-lijke wissel zijn voltooid. Dit ging met zoveel manoeuvreren gepaard dat het geheel al snel de bijnaam Corpen Crazy Club kreeg (Corpen staat voor de C van ‘koers’ in het Engelstalige Internationale Seinboek).

De Nederlandse schepen kregen daarnaast opdracht aanvoerlijnen te beschermen en vijandelijke troepenconcentraties, versterkingen en infrastructuur te bombarderen. De enkele keer dat een Nederlands schip werd opgedragen op te stomen naar de oostkust van Korea ging het om bombardementen op de daargelegen militair-industriële com-

plexen (zoals Wonsan, Chongjin en Hungnam) en op de kustspoorlijn. Tijdens dit soort bombardementen registreerden waarnemers vanuit helikopters met de Hollands aandoende roepnaam Windmill de inslagen van de granaten en gaven zonodig correc-ties door. Deze taak verviel na de bestandsovereenkomst van 27 juli 1953.

Het eerste Nederlandse schip, de torpedobootjager Evertsen, vertrok op 7 juli 1950 uit de haven van Soerabaja naar Japan en arriveerde op 16 juli in Sasebo, een vervallen marinebasis op het eiland Kiusju in het zuiden van Japan. De Evertsen verliet op 20 juli met 238 opvarenden de haven van Sasebo voor zijn eerste patrouille. Kort daarop, op 9 augustus, raakte de Evertsen met de voorsteven een rif en liep zodanige averij op dat reparatie in de Naval Dockyards te Hong Kong nodig bleek (Nederlandse schepen konden overigens ook de Japanse havenplaats Kure voor onderhoud aandoen). Pas vanaf 2 december 1950 was de jager weer inzetbaar in de Koreaanse wateren.

De torpedobootjager Hr.Ms. Van Galen met 246 opvarenden loste de Evertsen op 18 april 1951 af. De aflossing van de Evertsen en volgende schepen had, zolang de oor-logshandelingen voortduurden, plaats in de veilige haven van Hong Kong, hoewel de Nederlandse schepen weinig te vrezen hadden van de zwakke Noord-Koreaanse en Chinese marines. Veel meer dreiging ging uit van het grote aantal tyfoons dat jaarlijks de Koreaanse wateren teisterde. Zo ook op 12 oktober 1951, toen de tyfoon Ruth de Van Galen dwong Sasebo te verlaten en op open zee beter weer af te wachten.

De aflossing van de Van Galen door de torpedobootjager Hr.Ms. Piet Hein liep enige vertraging op doordat juist na het verlaten van de thuishaven Den Helder kwartier-meester F. van der Horst tijdens een zware storm overboord sloeg en verdronk. Van alle Nederlandse schepen die ingezet werden in de Koreaanse wateren was de Piet Hein de enige die zich lid mocht noemen van de Train Busters Club van Task Force 95. Schepen van deze Task Force voerden regelmatig package sweeps langs de Kore-aanse kust uit. Dit waren patrouilles langs tussen twee tunnels gelegen spoorwegtra-jecten, de zogenoemde packages. Tijdens zo’n sweep slaagde de Piet Hein er in de nacht van 14 op 15 november 1952 in een Noord-Koreaanse trein met gericht vuur uit te schakelen.

Sinds 25 augustus 1952 moest de Piet Hein het stellen zonder zijn commandant, kapi-tein-luitenant ter zee A.H.W. von Freijtag Drabbe, die die dag met een ernstige long-ontsteking aan boord van het Britse hospitaalschip Maine werd opgenomen. Geduren-de de resterende maanden nam luitenant ter zee der eerste klasse jhr. H. de Jonge van Ellemeet het commando waar. De Piet Hein was het enige schip dat naast zijn vaste bemanning van 229 personen een detachement van 14 mariniers aan boord had.

Niet een andere torpedobootjager, maar een fregat, en wel Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau, loste op 18 januari 1953 de Piet Hein af. Een fregat als de Maurits had min-der opvarenden (183) dan de grotere jagers. De Maurits was het enige Nederlandse schip dat tijdens de operationele inzet in Koreaanse wateren een bemanningslid van de rol moest schrappen. In een poging een zieke Zuid-Koreaanse militair te evacue- ren, sneuvelde op 26 februari 1953 de telegrafist C. van Vliet door eigen vuur van Zuid-Koreaanse troepen.

Naast de gebruikelijke taken kreeg de Maurits eind juni 1953 een bijzondere opdracht. Het Nederlandse schip dirigeerde tijdens pogingen om de ter hoogte van de 38e breed-tegraad gelegen eilanden Sunwi Do en Yuk To te heroveren, de vliegtuigen van het Britse vliegdekschip HMS Ocean naar doelen op de eilanden. Drie Nederlandse mari-nevliegers van Hawker Sea Fury jager/bommenwerpers bevonden zich van mei tot oktober 1953 in het kader van een uitwisselingsproject aan boord van de Ocean. Na het op 27 juli 1953 gesloten bestand kwam de Maurits in rustiger vaarwater terecht. Niet langer moest de bemanning er hard aan trekken om gedurende drie of vier weken op zee de oorlogswacht (zes uur op, zes uur af) en bij acute dreiging de gevechtswacht te leveren. Wel moest het schip na het bestand zorgdragen voor de ontruiming van het eiland Sokto (operatie Pandora), waar een grote hoeveelheid Zuid-Koreaanse wapens, munitie, voorraden en voertuigen was opgeslagen.

Wegens buitengewoon verdienstelijk optreden ontvingen de vier Nederlandse schepen die in de periode juli 1950 tot 27 juli 1953, als onderdeel van de Zevende Vloot, in de Koreaanse wateren hadden gediend de Koreaanse Distinguished Unit Citation. De twee fregatten die na de Maurits de Koninklijke Marine (KM) in Koreaanse wateren vertegenwoordigden, hadden in vergelijking met hun voorgangers een aanzienlijk minder spannend verblijf. Zij beperkten zich hoofdzakelijk tot patrouillegang. Hr.Ms. Dubois nam op 5 november 1953 in Yokosuka de plaats in van de Maurits. Op zijn beurt loste Hr.Ms. Van Zijll op 9 september 1954 de Dubois af. Het verblijf van de Van Zijll in Korea was van korte duur. Eind december 1954 besloot minister van Oor-log en Marine C. Staf dat het schip op 24 januari 1955 huiswaarts zou keren. Zowel de Dubois als de Van Zijll hadden 209 opvarenden, waarmee het totaal aan marineper-soneel dat in de Koreaanse wateren had gediend boven de 1.300 uitsteeg. Daarnaast werkten nog 14 militairen op verschillende marinebases in Japan.

Commandanten jagers en fregatten van de Koninklijke Marine

ltz 1 D.J. van Doorninck JAzn.: Hr.Ms. Evertsen (16 juli 1950 - 18 april 1951)

kltz A.M. Valkenburg: Hr.Ms. Van Galen (18 april 1951 - 2 maart 1952)

kltz A.H.W. von Freijtag Drabbe: Hr.Ms. Piet Hein (2 maart 1952 - 25 augustus 1952)

ltz 1 jhr. H. de Jonge van Ellemeet: Hr.Ms. Piet Hein (25 augustus 1952 - 18 januari 1953)

kltz N.W. Sluijter: Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau (18 januari 1953 - 5 november 1953)

ltz 1 T. Jellema: Hr.Ms. Dubois (5 november 1953 - 9 september 1954)

kltz F.G.H. van Straaten: Hr.Ms. Van Zijll (9 september 1954 - 24 januari 1955)

Het Nederlands Detachement Verenigde Naties

Secretaris-generaal Trygve Lie deed op 15 juli 1950 opnieuw een beroep op de Neder-landse regering. De VN hadden grote behoefte aan versterkingen in de vorm van in-fanteriebataljons. Het kabinet toonde zich onder grote Amerikaanse druk op 11 augus-tus 1950 bereid om een infanterie-eenheid, samengesteld uit vrijwilligers, beschikbaar te stellen: het Nederlands Detachement Verenigde Naties (NDVN). De toestroom van 1.670 potentiële Koreagangers was boven verwachting. Na een medische keuring en een antecedentenonderzoek bleven ongeveer zeshonderd personen over, van wie er nog eens honderd verstek lieten gaan. Het antecedentenonderzoek verliep overigens niet al te stringent, zo bleek uit de aanwezigheid in het NDVN van een aantal perso-nen die tijdens de Tweede Wereldoorlog met de Duitse bezetter hadden gecollabo-reerd. Vijfhonderd militairen was absoluut onvoldoende om het door de Amerikanen gewenste versterkte infanteriebataljon te vullen. Uiteindelijk kon het aantal tot 636 worden opgevoerd door verlenging van de inschrijvingstermijn, de aanmelding van 75 mariniers en een aantal extra vrijwilligers uit Indonesië. Het NDVN had vanaf 27 juli 1953 gedurende korte tijd een omvang van 1.093 militairen.

Uit deze vrijwilligers werden twee (in plaats van de organieke drie) tirailleurcompag-nieën, een ondersteuningscompagnie en een staf en stafcompagnie gevormd. Overi-gens was de kwaliteit van de militairen over het algemeen hoog, aangezien vele ge-vechtservaring hadden opgedaan in Nederlands-Indië. Het Amerikaanse leger besloot het bataljon Amerikaans te organiseren en uit te rusten. Het Korps Mariniers, dat als enige in Nederland reeds Amerikaans was uitgerust, was bereid een deel van zijn wa-pens uit te lenen om het NDVN tijdens de bootreis naar Korea te kunnen trainen. De Amerikaanse instructeurs van het United Nations Reception Centre te Taegu waren dan ook verbaasd over de vaardigheid waarmee de Nederlanders met de wapens wis-ten om te gaan. Om de staf en stafcompagnie geschikt te maken voor opname in de Britse of Amerikaanse verzorgingsketen werd deze uitgebreid met enig extra verzor-gingspersoneel en een geneeskundig detachement. Ook vertrokken een aalmoezenier en een legerpredikant, een tolk en een oorlogscorrespondent richting Korea. Op ver-zoek van de Amerikaanse legerleiding waren bovendien op 27 september reeds twee liaisonofficieren afgereisd, die de komst van het bataljon moesten voorbereiden. De Koninklijke Landmacht (KL) deelde het bataljon administratief in bij het Regiment Van Heutsz. De chef van de Generale Staf, generaal H.J. Kruls, wees 15 oktober 1950 aan als officiële oprichtingsdatum van het NDVN.

Het bataljon, onder bevel van luitenant-kolonel M.P.A. den Ouden, scheepte zich op 26 oktober in, vertrok daags daarna naar Korea, en arriveerde op 23 november in Pusan. Een dag later reisde het NDVN door naar het trainingskamp in Taegu voor een aanvullende opleiding. De verontrustend snelle Noord-Koreaanse opmars, de grote verliezen aan geallieerde zijde, maar ook de hoge graad van geoefendheid van het NDVN en zijn geschiktheid voor de contraguerrilla, leidden ertoe dat het oefenpro-gramma sterk werd ingekort en het bataljon al na een week afreisde naar het front.

Na de korte oefenperiode werd het bataljon op 13 december ingedeeld bij het Ameri-kaanse 38th ‘Rock of the Marne’ Regiment. Dit regiment maakte op zijn beurt deel uit van 2nd ‘Indianhead’ Division, die weer ressorteerde onder 8th Army. Normaliter be-stond een Amerikaans regiment uit drie bataljons, het NDVN werd echter als vierde bataljon aan 38th Regiment toegevoegd. Helaas bleek de verzorgingscompagnie van het regiment hier niet op berekend, wat tot haperingen in de bevoorrading zou leiden. Vanaf 14 december kon de bataljonscommandant beschikken over een honderdtal Ka-tusa’s (Korean Army Troops United States Army), ook wel ROKS (Republic of Korea Soldiers) genoemd. In juli 1952 liep het aantal Katusa’s zelfs op tot driehonderd. Zij verrichtten tal van hand- en spandiensten en werden indien nodig ingezet om organie-ke tekorten in de compagnieën op te vangen. Circa twintig bij het NDVN ingedeelde Katusa’s moesten hun inzet met de dood bekopen. Evenals de Nederlandse militairen kregen ook de Katusa’s het Kruis voor Recht en Vrijheid uitgereikt.

De Koreaanse grondoorlog verliep grofweg in drie fasen. De eerste fase begon op 25 juni 1950 met de Noord-Koreaanse aanval en duurde tot 31 december 1950. De strijd golfde in die periode over het hele land. Eind december 1950 stabiliseerde de strijd langs een frontlijn ten zuiden van de 38e breedtegraad. In de jaren die volgden zou de strijd zich hoofdzakelijk in dit gebied afspelen. Desondanks was er in de tweede fase van de oorlog nog steeds sprake van grote frontbewegingen, met in enkele gevallen een diepte van zo’n tachtig tot honderd kilometer. Tijdens de derde fase – van 10 juli 1951 tot aan het bestand van 27 juli 1953 – liep het front in grote lijnen van de mon-ding van de rivier de Imjin via Chorwon, Kumhwa en Mundungni naar de oostkust. Er zat nog wel enige beweging in de frontlijn, maar die verschoof nooit meer dan vijftien tot twintig kilometer. De operationele taken van het NDVN hingen over het algemeen nauw samen met de fase waarin de Korea-oorlog zich bevond. Frontperiodes werden afgewisseld door periodes van rust of in regiments-, divisie- of legerkorpsreserve.

Op 5 februari 1951 ging Operatie Roundup van start met als doel de Noord-Koreanen en Chinezen terug te drijven naar het noorden. De vijand zette op 11 februari echter de tegenaanval in. De Zuid-Koreaanse troepen sloegen massaal op de vlucht terwijl de Amerikanen een poging deden zich vechtend terug te trekken langs de weg Hong-chon-Hoengsong, die de onheilspellende bijnaam Massacre Valley meekreeg. Het NDVN kreeg opdracht nabij Hoengsong de terugtocht te dekken. De weinig ordelijke terugtocht van de geallieerde troepen veroorzaakte een gat op de rechterflank van het NDVN, waardoor in de avond van 12 februari 1951 Chinese troepen in staat waren de commandopost van het bataljon aan te vallen. De Chinese tactiek was eerst een zwak-ke plek in de verdediging te zoeken, deze te markeren met vuur en vervolgens onder angstaanjagende hoornsignalen massaal aan te vallen. De haastig georganiseerde ver-dediging onder leiding van luitenant-kolonel Den Ouden kostte uiteindelijk het leven aan vijftien personen, onder wie de bataljonscommandant. Luitenant-kolonel Den Ouden ontving postuum een Militaire Willems-Orde, de hoogste Nederlandse militaire onderscheiding. Het bataljonscommando werd overgenomen door de plaatsvervan-gend bataljonscommandant, majoor W.D.H. Eekhout, die ten tijde van de aanval op verkenning was. Het NDVN ging vrijwel meteen weer in stelling ten westen van Wonju. De acties richtten zich hier op het veroveren en vasthouden van heuvel 325. De voortdurende tegenslagen verzwakten het bataljon geestelijk en lichamelijk zoda-nig, dat de commandant besloot een aanvalsgroep te vormen uit onder meer de schrij-vers, koks en chauffeurs van de ondersteuningscompagnie. Deze groep zette tot twee keer toe tevergeefs de aanval in op heuvel 325, maar slaagde er de derde keer in, vroeg in de morgen van 15 februari, de top te bezetten. Eerste-luitenant J. Anemaet kreeg evenals soldaat J.F. Ketting Olivier (postuum) de Militaire Willems-Orde.

Het flink aangeslagen NDVN werd uit de frontlijn gehaald en van 23 februari tot 8 april 1951 bij de legerkorpsreserve ingedeeld. Rust betekende overigens niet dat het echt rustig was. Natuurlijk was er tijd voor ontspanning, maar daarnaast werd er in-tensief geoefend en moest het bataljon onder meer bewakingstaken achter het front vervullen. Het NDVN kreeg ook een aantal maal opdracht teruggekeerde Koreaanse burgers te verwijderen uit het frontgebied.

Na de inzet bij het Hwachon-reservoir in april 1951 – waar het NDVN wederom de terugtocht dekte – arriveerde op 24 mei 1951, een dag na de start van een nieuw geal-lieerd tegenoffensief, dan toch de derde tirailleurcompagnie. In tegenstelling tot het oorspronkelijke bataljon kregen de aanvullingsdetachementen de korte opleiding op de Amerikaanse wapens niet langer te Taegu maar in Pusan, de nieuwe thuishaven van het United Nations Reception Centre. Het doel van het offensief was achtereen-volgens Hyonni, Inje en Kansong te veroveren om zo de vijand in het oosten de pas af te snijden. Bij Inje bleek de vijandelijke tegenstand te groot en moest het NDVN zich zelfs ingraven om twee nachtelijke tegenaanvallen op te vangen. 20 NDVN’ers sneu-velden en 31 raakten gewond. Tijdens de bestandsbesprekingen van 10 juli tot 23 au-gustus was er geen sprake van grootschalige acties. Er was één uitzondering: 2nd Di-vision, waaronder het NDVN, kreeg opdracht de Punchbowl en het gebied direct ten westen daarvan in te nemen.

De maanden augustus en september 1951 stonden in het teken van het vertrek van het oorspronkelijke bataljon, de aankomst van het derde aanvullingsdetachement en de opbouw van een nieuw bataljon dat begin oktober operationeel moest zijn. Het NDVN hield 2 tirailleurcompagnieën over en had 29 militairen uit Suriname in de gelederen. 6 marechaussees voegden zich op 26 februari 1952 bij het NDVN. Het aantal mare-chaussees zou in februari 1953 nog met 4 en in januari 1954 met 1 man worden uitge-breid. Door een auto-ongeluk belandde de nieuwe bataljonscommandant, luitenant-kolonel G.H. Christan, op 22 september 1951 in het ziekenhuis. Hierdoor was hij pas vanaf 7 november in staat het commando op zich te nemen. De oude detachements-commandant, luitenant-kolonel Eekhout, nam aanvankelijk het commando waar maar moest op 4 oktober om medische redenen de scepter overdragen aan de plaatsvervan-gend commandant, majoor C.L. Trieling.

De grondoorlog was toen inmiddels de derde fase ingegaan. Het front had zich zoda-nig gestabiliseerd dat het bestond uit vrijwel ononderbroken stellingen, beschermd door een dubbele draadhindernis, waar nodig aangevuld met mijnen. De sectoren waarin de bataljons van 2nd Division moesten opereren, waren erg breed, waardoor nauwelijks sprake was van verdediging in de diepte. Het operationeel optreden wij-zigde zich ook. Niet langer werden afzonderlijke bataljons ingezet om terreinwinst te boeken. Vanaf 5 oktober ging de gehele divisie op een breed front met ondersteuning van tanks in de aanval. Het NDVN kreeg opdracht vanaf 9 oktober het veroverde ge-bied te zuiveren. Overdag betekende dit het uitschakelen van elke vijandelijke tegen-stand en ’s nachts het uitvoeren van hinderlaagpatrouilles tegen infiltranten.

De Nederlanders werden, als onderdeel van 38th Regiment, van 20 december 1951 tot 7 april 1952 ingezet in de IJzeren Driehoek (gelegen tussen de plaatsen Chorwon, Py-onggang en Kumhwa). Tweemaal was het bataljon regimentsreserve. Het geallieerde streven in de IJzeren Driehoek was enkele door de vijand bezette hoogtes, die de ei-gen frontpositie bedreigden, in te nemen. Wegens het brede front zag luitenant-kolonel Christan zich genoodzaakt over te gaan tot intensieve patrouillegang, met als doel de vijand af te schrikken, inlichtingen te verzamelen en indien mogelijk krijgsge-vangenen te maken. Daarnaast werd enkele malen met succes een poging ondernomen bepaalde hoogtes te veroveren of vijandelijke fortificaties te vernietigen. Deze acties leverden enkele NDVN’ers verschillende Amerikaanse militaire onderscheidingen op. Na maanden van zware gevechten kreeg het NDVN plotseling een heel andere taak toebedeeld. De eenheid trad van 20 april tot 12 juli 1952 op als gevangenisbewaarder op het eiland Kojedo. Na terugkeer van Kojedo was het bataljon ruim een maand divi-siereserve.

De rest van 1952 opereerde het NDVN voor de tweede maal in de IJzeren Driehoek. De eerste dag van de actieve frontdienst, 20 augustus 1952, droeg de commandant van het NDVN, luitenant-kolonel Christan, het commando over aan luitenant-kolonel C.M. Schilperoord. De vijand had zijn taktiek aangepast aan de intensieve patrouille-gang van de geallieerden. Niet langer wachtten de Chinezen en Noord-Koreanen in hun stellingen de geallieerden af, maar ze gingen op pad om de patrouilles op te van-gen, de pas af te snijden en uit te schakelen. Luitenant-kolonel Schilperoord stuurde vervolgens alleen nog maar patrouilles op pad bestaande uit een aanvals- en een on-dersteuningsgroep. De ondersteuningsgroep verplaatste zich op een zekere afstand van de aanvalsgroep, wat haar in staat stelde eventuele vijandelijke aanvallen in de flank op te vangen en de uitschakeling van de eigen aanvalsgroep te voorkomen.

Na de jaarwisseling verplaatste het Amerikaans opperbevel 2nd Division, en daarmee ook het NDVN, naar een geheel nieuwe omgeving aan de rivier de Samichon aan de 38e breedtegraad. De eerste maanden verliepen relatief rustig. Wel moest het NDVN in de tweede helft van maart 1953 een viertal Chinese aanvallen op zijn bataljonsvak afslaan, hetgeen acht doden en tientallen gewonden tot gevolg had. In april, mei en juni 1953 verbleef het NDVN in een tot ‘Betuwekamp’ gedoopt kampement. Hier werd de troep onderworpen aan een periode van zware oefening en opleiding. Het kamp zelf lag trouwens in een civiele zone buiten de frontsector, waardoor comman-dant Schilperoord alle moeite moest doen ongewenste contacten tussen de Nederlan-ders en de plaatselijke bevolking te voorkomen.

De bestandsonderhandelingen te Panmunjon resulteerden op 8 juni 1953 in een ak-koord. In de daarop volgende weken zouden de partijen overeenkomstig de bestands-bepalingen de ‘officiële’ frontlijn en een vier kilometer brede, neutrale zone langs die frontlijn vaststellen. Door middel van twee zogeheten bestandslijnoffensieven pro-beerden de Chinezen nog terreinwinst te behalen. Het NDVN kreeg te maken met het tweede offensief, dat op 12 juli van start ging. Twee dagen voor de ondertekening van de bestandsakkoorden, die luitenant-kolonel Schilperoord als vertegenwoordiger van Nederland zou bijwonen, overvielen Chinese militairen een bataljonspatrouille. Vijf Nederlanders sneuvelden.

Na het ingaan van het bestand op 27 juli verwijderden de geallieerde troepen al het materiaal van de opgegeven frontstellingen. Hiermee werden nieuwe posities inge-richt voor de voorpostbataljons, die direct tegen de gedemilitariseerde zone aanlagen. Daarachter namen de geallieerden hun zogenoemde post armistice main battle positi-ons in. Het NDVN kreeg het rechtervak van 38th Regiment toegewezen en bezette dit – met kleine wijzigingen – tot 15 november 1953, toen het in reserve ging. Inmiddels had luitenant-kolonel Schilperoord op 3 augustus 1953, juist na het ingaan van het bestand, het commando over het NDVN aan luitenant-kolonel C. Knulst overgedra-gen. Het bataljon leverde na 27 juli officieren met chauffeurs en jeeps voor enkele be-standscommissies. Van oefening kwam in deze dagen weinig terecht. Daarom besloot de commandant van 38th Regiment de bataljons afwisselend twee weken in de stellin-gen en twee weken in een oefenkamp te Haridong te laten doorbrengen.

Op 10 juni 1954 werd het NDVN legerkorpsreserve in Camp Kaiser te Haridong. Daar zou het bataljon tot zijn vertrek blijven. Op 27 juli 1954 vond de laatste com-mando-overdracht plaats. Luitenant-kolonel Knulst droeg het bevel over aan luite-nant-kolonel J. Raaijmakers. De Amerikanen onthieven het bataljon op 30 september van zijn taken. Het NDVN werd na terugkeer in Nederland op 15 december 1954 offi-cieel opgeheven. De inzet van het NDVN werd met één Presidential Unit Citation en twee Distinguished Unit Citations beloond. Daarnaast vielen de Nederlanders onder meer veertien Amerikaanse Silver Stars en ruim honderd Bronze Stars ten deel.

Commandanten van het NDVN

lkol M.P.A. den Ouden (15 oktober 1950 - 12 februari 1951)

lkol W.D.H. Eekhout (12 februari 1951 - 7 november 1951)

lkol G.H. Christan (7 november 1951 - 20 augustus 1952)

lkol C.M. Schilperoord (20 augustus 1952 - 3 augustus 1953)

lkol C. Knulst (3 augustus 1953 - 8 juli 1954)

lkol J. Raaijmakers (8 juli 1954 - 15 december 1954)

Literatuur

Dussel, W.W. Tjot: Nederlanders in Korea. Amsterdam, 1952.

Elands, M. “Dutch battalion in Korea, 1950-1954”. Duty First, I-5 (1993) 9-17.

Hagdorn, A.H.M. “Met HMS Ocean aan de westkust van Korea”. Marineblad, IC-5 (1989) 216-227

Kamphuis, P.H. “Nederland en de oorlog in Korea”. Revue Belge d’Histoire Militaire, XXIX-5, (1992) 369-378.

Kester, B.; Roozenbeek, H. en Groot, O. Focus op Korea. De rol van de Nederlandse pers in de beeldvorming over de Korea-oorlog 1950-1953. Den Haag, 2000.

Kretschmer de Wilde, C.J.M. Lichtflitsen aan de Kim: verrichtingen van de Koninklij-ke Marine in de Koreaanse wateren, 1950-1953. Utrecht, 1955.

Mark, C. Boeggolf voor Korea: de Koninklijke Marine in de Koreaanse wateren 1950 - 1955. Abcoude, 1990.

Meerburg, P.P. Legerpredikant in Korea. Wageningen, 1952.

Schaafsma, M.D. Het Nederlands Detachement Verenigde Naties in Korea 1950 - 1954. Den Haag, 1960 (inclusief lijst van gesneuvelden).

Velde, A.R.J. ten. Nederlanders in de Korea-oorlog. Utrechtse Historische Cahiers, dl. 4. Utrecht, 1983.