------------

eXTReMe Tracker
OZD RTD

Verhuizing OZD van Rotterdam naar Den Helder

 

DE ZESTIEN ROTTERDAMSE JAREN VAN DE ONDERZEEDIENST

Uit Jaarboek van de Koninklijke Marine 1961

Overkomst naar Nederland

Bij het einde van de laatste oorlog beschikte de Koninklijke marine over twee bases voor de onderzeedienst: te Dundee en - in het verre oosten te Fremantle. In het kader van de terugkeer naar Nederlands gebied werden deze nederzettingen in de loop van 1946 door de onderzeedienst verlaten.
In Nederland diende echter weer een moederinrichting voor de onderzeedienst te worden gevestigd: een basis waar de administratieve diensten voor de onderzeedienst zouden worden verricht, waar, zoals dat later zou gaan heten, de specifieke logistieke eenheid was, waar de walopleiding voor de onderzeedienst plaats zou kunnen vinden en waar het depot van onderzeedienstpersoneel was gevestigd.
De redenen, waarom niet Den Helder (waar de onderzeedienst vůůr 1940 gevestigd was) maar een aantal voormalige Duitse schuilplaatsen voor ,Schnellboote' aan de Waalhaven te Rotterdam werden uitverkoren, worden op onderhoudende wijze uiteengezet in het gedenkboek ,Veertig jaren onderzeedienst'. Kort gezegd moest Den Helder afvallen, omdat het onderzeedienstbassin te ondiep was voor de inmiddels groter geworden boten, de eigen werkplaatsen daar vernield waren en ook de Rijkswerf zwaar geschonden was.
In Rotterdam waren de lig-, werk- en bergplaatsen in veel betere staat. Daartegenover stond, dat te Rotterdam voor het personeel niet direct accomodatie aanwezig was. Deze zou uiteindelijk worden gevonden in een moeizaam gerehabiliteerd, zeer dichtbij gelegen Duits barakkenkamp, dat door uitwonen en vandalisme grote schade had geleden.

Situatie te Rotterdam

Nadat in december 1945 met Hr. Ms. O 15 de kwartiermakers in Rotterdam waren aangekomen, begon in januari 1946 de onderzeedienst van Dundee uit over te komen. Het transport geschiedde met Hr. Ms. Hasewint, een kustvaarder. In de loop van dat jaar keerden verder achtereenvolgens Hr. Ms. O 23, O 24, O 21, Zwaardvis en Tijgerhaai naar Rotterdam terug. De accomodatie werd in november 1946 nog benarder toen - nog voordat het barakkenkamp gerehabiliteerd was - de te Rotterdam tot die tijd benoorden de Nieuwe

Maas gevestigde marinediensten van het commandement maritieme middelen in het onderzeedienstcomplex moesten worden gelegerd. Allengs werd het peil der legering echter draaglijker en het feit, dat meer en meer gehuwd personeel van de onderzeedienst in of nabij Rotterdam huisvesting voor het gezin vond, werkte uiteraard ook gunstig. Die accomodatie bestond aan de kazernezijde uit een aantal barakken, waarin woonverblijven en kantoren waren gevestigd. Aan de bunkerzijde bevonden zich de gebruikelijke faciliteiten als machinewerkplaats, smederij en torpedo-atelier. De munitiebergplaatsen waren in een afzonderlijke bunker gevestigd. Ten behoeve van de kantoren voor de operatieve, technische en nautische diensten van de onderzeebootvloot en voor deze werkplaatsen werd een houten gebouwtje neergezet, dat verder als ,de groene keet' de geschiedenis zou ingaan.
In deze periode 1946 - 1961 zijn de lotgevallen van de onderzeedienst te Rotterdam niet te scheiden van die van het commandement der maritieme middelen aldaar en later van het commandement der marine Maas, doordat deze drie commando's door een en dezelfde hoofdofficier werden gevoerd.
Weliswaar nam het korps mariniers een geheel eigen, onvervangbare plaats in Rotterdam in, maar toch blijft het merkwaardig, dat Nederlands grootste en 's werelds tweede havenstad het zo lang zonder zijn ,Admiraliteit aan de Maze' heeft moeten stellen. Wellicht daarom werd dan ook de vloot, in de vorm van de onderzeedienst, zo gul ontvangen. Zulks was reeds in het verleden incidenteel bij vlootbezoeken het geval, maar nu bleek de meer permanente binding ook te bestaan.

Verrichtingen te Rotterdam

Een overzicht van de verrichtingen in deze Rotterdamse periode mag stellig beginnen met de vermelding dat Hare Majesteit Koningin Wilhelmina Haar waardering toonde, door op 20 juni 1947, bij de viering van het 40-jarig bestaan van de onderzeedienst, het ridderkruis 4e klasse van de Militaire Willemsorde persoonlijk uit te reiken en eigenhandig een krans te leggen aan de voet van het onderzeedienstmonument.
Bij dat in 1947 gevierde jubileum werd het hoger al genoemde gedenkboek ,Veertig jaren onderzeedienst' uitgegeven. Ook het 50-jarig bestaan werd in 1957 op 31 mei in stijl gevierd. Wederom kwam het medeleven van het Vorstenhuis tot uiting: namens Hare Majesteit de Koningin en Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins der Nederlanden en namens Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Wilhelmina werden kransen bij het monument voor de gevallenen van de onderzeedienst gelegd.

De sterkte van de onderzeebootvloot nam in de eerste jaren na de oorlog sterk af. Alle vůůr de oorlog gereedgekomen en nog bestaande boten werden afgevoerd naar de sloper. Aldus bleven slechts over Hr. Ms. O 21, O 23, O 24, de door de Duitsers in Nederland afgebouwde O 27, die als buit via Dundee naar Rotterdam terugkeerde, en Hr. Ms. Zwaardvis, Tijgerhaai en Dolfijn.
De als Hr. Ms. Zeehond gevaren hebbende Britse boot van de S-klasse was reeds uit de Nederlandse sterkte verdwenen. Ook Hr. Ms. Dolfijn werd in 1947 aan de Britten teruggegeven. In 1947 werden echter twee Britse Tboten in bruikleen verkregen, wederom onder de namen Hr. Ms. Dolfijn en Zeehond. Aldus scheen de sterkte numeriek niet ongunstig, doch de werkelijkheid was minder rooskleurig. Oefenen onder de Nederlandse kust was niet mogelijk vanwege het mijnengevaar en de oppervlakteschepen openden in overgrote mate in de Indonesische wateren. Van 1947 af werd elk zomerseizoen een onderzeeboot van het oudste type aan het torpedoinschietbedrijf ter beschikking gesteld en van 1948 af opende een boot als ,ping-boot' in het Engelse kanaal. In 1950 werd Hr. Ms. 0 23 van de sterkte afgevoerd. Naarmate eerst de Westelijke unie en later de NAVO echter leidden tot vlootoefeningen en ook tot de samenstelling van Nederlandse smaldelen, groeide de behoefte om onze onderzeeboten daarbij in te delen. In smaldeelverband werden de boten intensief gebruikt voor beoefening van de onderzeebootbestrijding. Nadat in 1953 de Amerikaanse onderzeeboten van het ,Guppy'-type (Hr.Ms. Walrus en Zeeleeuw) de gelederen kwamen versterken en Hr. Ms. Dolfijn en Zeehond in dat jaar aan de Britten werden teruggegeven, werden de
O-boten verder afgevoerd. Hr. Ms. O 24 bleef na 1956 nog als drijvend laadstation in dienst; Hr. Ms. O 21 en O 27 deden onderscheidenlijk in oktober 1957 en november 1959 voor het laatst dienst De meest verheugende verwerving was echter ongetwijfeld die van de twee nieuwe, geheel Nederlandse, driecylinderboten. Op 16 december 1960 werd Hr. Ms. Dolfijn te Rotterdam in dienst gesteld en op 16 maart 1961
op dezelfde plaats Hr. Ms. Zeehond. Meer dan 20 jaar lagen er tussen het gereedkomen van de laatste Nederlandse serie en dat van deze nieuwe boten.
In het algemeen geldt, dat de onderzeeboten in deze Rotterdamse tijd veel en druk hebben gevaren. Na 1957 werd geleidelijk meer deskundig personeel tewerkgesteld bij de aanbouw van de twee nieuwe onderzeeboten van het driecylindertype.

Hierna volgt een overzicht van de onderzeeboten, die na 1945 in dienst waren:

 

Het overzicht van de verrichtingen in deze Rotterdamse tijd zou onvolledig zijn, wanneer het belangrijke aandeel van de onderzeedienst in de hulpverlening bij de watersnoodramp in februari 1953 niet werd vermeld

 

 

Na het opstellen van een analyse betreffende de kwestie ,onderzeedienst in Nederland' werd dan ook reeds in 1948 de principiŽle beslissing genomen, dat de onderzeedienst naar Den Helder zou worden verplaatst, wanneer de nieuwe bewapeningswerkplaatsen en de Rijkswerf aldaar voldoende capaciteit zouden bezitten om de onderzeedienst in Den Helder alle diensten te kunnen verlenen; ook de nieuwe haven in Den Helder moest zover gereed zijn, dat ligplaatsen voor de onderzeedienst en ruimte voor het walbedrijf beschikbaar zouden komen.
Op de plaats van de vooroorlogse marinekazerne aan de buitenhaven was in 1947 een kazernegebouw met kombuis- eetzaal- bottelarij-gebouw herrezen, welk complex van de aanvang af onderzeedienstkazerne werd genoemd. Van 1955 af werden de eerst nog vaag omlijnde plannen steeds sterker geconcretiseerd, zodat in 1960 kon worden begonnen met de bouw van een officiers- en administratiegebouw en een onderofficiersgebouw, alsmede met het verbouwen van de voormalige schilderswerkplaats van de Rijkswerf tot werkplaats- en magazijnsgebouw voor de onderzeedienst. Het kombuisgebouw bleef nagenoeg ongewijzigd; in het kazernegebouw waren (tot de zomer 1961) korporaals en manschappen van Mr. Ms. wachtschip Willemsoord gelegerd, waaronder het detachement mariniers te Den Helder; ook de opleiding koopvaardijbescherming en de opleiding scheepsonderofficieren vonden er jarenlang legering en leslokalen. Dit gebouw moest enigszins worden aangepast aan de nieuwe taak: onderdak en recreatieruimte te verschaffen aan de korporaals en manschappen van de walorganisatie van de onderzeedienst en van de ontscheepte bemanningen der boten. Voor officieren en onderofficieren werden tot dat zelfde doel de twee nieuwe gebouwen gebouwd, waar de voor de walstaf van de onderzeedienst in te richten bureaus ook moesten worden ondergebracht.

Inmiddels was in Rotterddam een verhuisplan opgezet, waarin werd uitgegaan van de grondgedachte, dat de basis voor de operatieve boten hoogstens 24 uur buiten bedrijf mocht zijn. Het stemt tot tevredenheid, dat de bemanning door inspanning en opgewekt aanvaarden van enig ongerief deze opzet volledig heeft doen slagen.
De datum van de verplaatsing werd in de loop der tijden wel enige malen verschoven, ook al doordat de bouw in Den Helder minder snel vorderde dan werd gehoopt. Op 1 januari 1961 ging echter als eerste de accuwerkplaats over naar Den Helder, om daar voortaan een onderdeel van de afdeling elektriciteit van de Rijkswerf te vormen. Voor de verplaatsing van de overige diensten van de onderzeedienst werd de nazomer van 1961 aangewezen.
Taken als mobilisatievoorbereiding, bewaking, bevoorrading, legering en verbindingsdienst

te Rotterdam moesten worden overgedragen aan de commandant der marine Maas/commandant der maritieme middelen te Rotterdam en zijn staf. Op 4 september 1961 werden in dit verband die functies losgemaakt van het commando over de onderzeedienst.
Van de Rotterdamse gemeenschap werd afscheid genomen tijdens een receptie van de onderzeedienst en op een door het gemeentebestuur aangeboden diner. Een Leerdams kunstvoorwerp werd door de onderzeedienst aan het gemeentebestuur aangeboden ter herinnering aan het 15-jarig verblijf in Rotterdam.
Op 4 september werd aangevangen met kwartiermaken in Den Helder. Hoewel de nieuwe gebouwen en faciliteiten aldaar nog niet klaar waren, verliep de verhuizing geheel volgens plan. Naar schatting werd 800 m3 aan goederen door de marinetransportdienst naar Den Helder vervoerd; de ruim 300 militairen van de walorganisatie van de onderzeedienst werden grotendeels per trein verplaatst.
Op 14 september werd te Rotterdam de onderzeedienstkazerne uit dienst gesteld en op 15 september vond de indienststelling te Den Helder plaats. Op 19 september was de verhuizing voltooid. In Rotterdam verbleef nog gedurende enkele weken een afwikkelingsploeg. Tenslotte werden het terrein en de opstallen aan de kazernezijde op 1 oktober, aan de bunkerzijde op 1 december 1961, overgedragen aan de dienst der domeinen. Naar verluidt zal de gemeente het barakkenkamp inrichten tot woonkamp voor buitenlandse arbeiders.
Bij de terugkeer van de onderzeedienst in de gemeente Den Helder werden militaire en burgerautoriteiten op 26 oktober ontvangen in de riante nieuwe longroom van de onderzeedienstkazerne. Op 3 november ontving het gemeentebestuur commandant en officieren van de onderzeedienst.
De accomodatie en andere faciliteiten voor de onderzeedienst zijn in het algemeen in het nieuwe complex te Den Helder belangrijk beter dan te Rotterdam. De oudere gebouwen van de kazerne zullen na voltooiing van het nog in gang zijnde onderhoud, waarbij de nodige verbeteringen worden aangebracht, op vergelijkbaar peil met de nieuwe officiers- en onderofficiersgebouwen komen. Het terrein vereist nog aanzienlijke saneringswerkzaamheden. De bedrijfsvoering is door de onderlinge ligging van het perceel en de kaderuimte efficiŽnter.
Verlichting, afbakening en laadaansluiting op de onderzeebootkade zijn echter nog in voorbereiding. Vooral het ontbreken van de wallaadaansluiting is een ernstig gemis, waarin

echter naar wordt verwacht in de tweede helft van 1962 zal kunnen worden voorzien. De huisvesting van de gezinnen van het onderzeedienstpersoneel te Den Helder baart zorg. Door huizenruil is enige voortgang gemaakt in de oplossing van het probleem. De vooruitzichten, die in dit opzicht niet rooskleurig zijn, zijn overigens niet los te maken van het totale huisvestingsprobleem van de Koninklijke marine.

Verplaatsing naar Den Helder

De in 1945 genomen beslissing, de onderzeedienst in Nederland te Rotterdam te vestigen, droeg een voorlopig en tijdelijk karakter. Steeds kon de Koninklijke marine verwachten, dat de gemeente Rotterdam de tussen haar en de minister van defensie gesloten overeenkomst, die het gebruik van gemeentelijk haventerrein dekte, niet zou willen continueren.

 

[Home] [MOCV] [MOKH] [C801] [Mijnendienst] [Ouddorp] [Onderzeedienst] [OZD RTD] [C802] [Fort Erfprins] [R81] [TOKM] [Hr Ms Balder] [Hr Ms Zuiderkruis]